|
| witwascontrole en organisatie 3 BEPALINGEN INZAKE ORGANISATIE EN CONTROLE 3.1 Kennis van de cliënten: 3.1.1 Gewone cliënten en gelegenheidscliënten: Krachtens artikel 4 van de wet moeten de financiële instellingen zich in de volgende drie gevallen vergewissen van hun cliënten: Gewone cliënten: De financiële instellingen moeten zich vergewissen van de identiteit van hun cliënten aan de hand van een BEWIJSSTUK op het ogenblik waarop zij een zakenrelatie aanknopen waardoor de betrokkenen gewone cliënten worden. Een cliënt die binnen een korte tijdsspanne geregeld verrichtingen uitvoert, ongeacht het bedrag, wordt beschouwd als een cliënt die zo’n zakenrelatie aanknoopt. Cliënten die herhaaldelijk in het kader van hun beroepsactiviteiten verrichtingen uitvoeren, worden in ieder geval als gewone cliënten beschouwd. Gelegenheidscliënten: Identificatie is vereist voor iedere persoon die een verrichting wenst uit te voeren voor een bedrag van 10.000 euro of meer, ongeacht of zij in één verrichting wordt gevoerd of in verscheidene verrichtingen waartussen een verband blijkt te bestaan. Bijgevolg is identificatie vereist voor een totaalbedrag van 10.000 euro of meer. Verdachte verrichtingen: Identificatie is ook vereist wanneer het bedrag van de verrichting lager is dan 10.000 EUR, zodra wordt vermoed dat het om witwassen van geld gaat. 3.1.2 Begunstigde van de verrichtingen: Indien wordt betwijfeld of de onder de 3.1.1 bedoelde cliënten voor eigen rekening handelen of indien vaststaat dat zij niet voor eigen rekening handelen, treft de financiële instelling nuttige maatregelen om informatie te verkrijgen over de ware identiteit van de personen voor wier rekening deze cliënten handelen (artikel 5 van de wet). De financiële instelling moet dus nagaan of de cliënt al dan niet voor eigen rekening optreedt. 3.1.3 Verrichtingen uitgevoerd door vennootschappen: Als de tegenpartij een vennootschap is, moet de financiële instelling de vennootschap identificeren alsook de natuurlijke persoon die de verrichting uitvoert, met name om te controleren of deze voor rekening van de betrokken vennootschap handelt. Voor buitenlandse vennootschappen met zetel in België kan ook een officieel stuk worden gevraagd met de naam, de voornaam en het adres van de personen als bedoeld in artikel 198 van de vennootschapswet, die instaan voor de leiding van de zetel in België. WITWASSEN VAN GELDEN Blz. 10 01/08/2007 3.1.4 Verrichtingen voor een derde: Als het niet zeker is dat een cliënt voor eigen rekening handelt of als vaststaat dat hij niet voor eigen rekening handelt, moet de identiteit van de derde worden vermeld. De identificatie van de derde omvat naam, voornaam, adres (natuurlijke personen), firma, maatschappelijke zetel, adres (rechtspersonen) en indien mogelijk het nummer van de identiteitskaart of van een gelijkwaardig document. 3.1.5 Identificatiestukken: Voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake identificatie kunnen de volgende stukken worden gebruikt: Voor natuurlijke personen: - met de Belgische nationaliteit: een kopie van de identiteitskaart - met een buitenlandse nationaliteit: een kopie van de identiteitskaart of van een gelijkwaardig stuk (geldig - paspoort, rijbewijs, verblijfspas). De identificatie moet verplicht het adres van de cliënt vermelden. Voor wat de identificatie betreft mag een postbusnummer niet beschouwd worden als adres. Voor rechtspersonen: - een recente kopie van de statuten of van recente, gelijkwaardige originele stukken, zo nodig vertaald - een recente kopie van het Belgisch Staatsblad of van elk ander officieel stuk met daarin de naam, de voornaam en het adres van de personen die de rechtspersoon ten aanzien van de bank mogen verbinden, zo nodig vertaald Voor feitelijke verenigingen: - een kopie van de identiteitskaart van de leden die de vereniging mogen verbinden ten aanzien van de financiële instelling De financiële instelling moet, indien nodig en in de mate van het mogelijke, nagaan of de inlichtingen in de identificatiestukken door andere stukken, gegevens of verklaringen kunnen worden gestaafd. Voor elke cliënt dient u dus het identiteitskaartnummer op het aanvraagformulier te vermelden. 3.1.6 Geldoverdrachtsystemen: De wet van 11 januari 1993 is ook van toepassing op de diensten die de financiële instellingen aanbieden voor geldoverdracht. Onder ‘geldoverdracht’ moet de dienst worden verstaan waarbij de financiële instelling in opdracht van een cliënt een geldsom overmaakt aan een door die cliënt aangewezen begunstigde die veelal in het buitenland verblijft. In het verlengde van de aanbevelingen van de Groupe d’action financière, wordt de medewerking van de financiële instellingen gevraagd om te voorkomen dat geldoverdrachten voor witwaspraktijken worden gebruikt. De financiële instellingen moeten niet enkel de wettelijke regels inzake cliëntenidentificatie toepassen: de Commissie dringt er ook op aan dat zij bij de opdrachtgevers voor geldoverdrachten informatie inwinnen over de identiteit van zowel opdrachtgever als begunstigde, conform de regels voor de werking van de instellingen die het geldoverdrachtsysteem organiseren. 3.2 Gegevensbewaring. De wet regelt de verplichtingen voor de financiële instellingen inzake gegevensbewaring. Ter herinnering: de financiële instellingen bewaren - op welke informatiedrager ook, gedurende ten minste 5 jaar na het beëindigen van de relaties met hun cliënten of alle andere personen bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid - een afschrift van het bewijsstuk dat voor de identificatie heeft gediend of de verwijzingen ernaar. Voor documenten die niet op de hoofdzetel bewaard worden, is de kantoorhouder verplicht deze stukken 5 jaar in zijn kantoor te bewaren. De financiële instellingen bewaren - eveneens gedurende een periode van ten minste 5 jaar vanaf de uitvoering van de verrichtingen, op welke informatiedrager ook - een kopie van de registraties, de borderellen en stukken van de uitgevoerde verrichtingen, om deze nauwkeurig te kunnen reconstrueren. De verplichting om gegevens te bewaren over de uitgevoerde verrichtingen om deze nauwkeurig te kunnen reconstrueren, impliceert dat de financiële instellingen de nodige maatregelen treffen om te kunnen ingaan op de verzoeken om informatie die zij ontvangen van de Commisssie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, de CFI of de gerechtelijke autoriteiten. 3.3 Interne organisatie: Elke financiële instelling dient één of meer personen aan te stellen die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de wet.
WITWASSEN VAN GELD: WAT IS DE WETGEVING INZAKE WITWASSEN VAN GELDEN BEPALINGEN INZAKE ORGANISATIE EN CONTROLE STRIJD TEGEN HET WITWASSEN VAN GELD LIJST STATEN EN GEBIEDEN DIE NIET MEEWERKEN AAN DE WITWASBESTRIJDING SITUERING EN ALGEMENE PRINCIPES BIJZONDERE TOEPASSINGEN BTW FRAUDE
|